Deel 3

Jan Staneke liet zich opnemen in de Doopsgezinde gemeente 'De Zon', en werd op 28 oktober 1764 gedoopt, zij het dan nu doopsgezind, de eerste maal, in 1737, werd hij Hervormd gedoopt. De doopsgezinden hadden een afwijkende doopgewoonte, zij lieten zich pas dopen als zij een leeftijd hadden bereikt van ongeveer achttien tot twintig jaar, als de dopeling op de belijdenis van zijn of haar geloof, lid werd van de gemeente. Vervolgens volgde hij hier een opleiding tot predikant, waarvoor hij op 5 oktober 1768 examineerde. Op 26 oktober hierop volgend, verzocht hij met attestatie van zijn broederschap, toestemming om in Middelie te gaan wonen.

Om van de ene naar de andere plaats te gaan had Jan Staneke de keus uit enkele reismogelijkheden. Maar geen van deze waren comfortabel.

Er bestond in ons land al in de 16e eeuw een vervoersysteem tussen de diverse steden en dorpen, koetsen en wagens hotsten over de erbarmelijke wegen, trekschuiten gingen door de vaarten, voor langere afstanden had men de nachtschuit. Lopen was ook populair.

Een enkel reis Haarlem-Leiden kostte 12 stuivers 10 penningen (1 gulden = 20 stuivers, 1 stuiver = 8 duiten, 1 duit = 2 penningen) De schipper verdiende gemiddeld É 250,00 per jaar waar soms É 600,00 winstdeling bijkwam. Een paard kostte in 1806 iets meer dan É 100,00 maar in 1815 rond É 285,00. De dienst die verleend moest worden was onveranderlijk dezelfde: vol of leeg de schuit moest op tijd vertrekken, de jager en de knecht moesten per rit worden betaald en het paard had honger. In het slappe seizoen, de winter, verdienden de schippers nauwelijks de kosten. Die schrale maanden werden in de bloeitijd van de trekvaart royaal goedgemaakt door de vette. Toen in 1839 de eerste trein naar Haarlem reed was de trekvaart al een noodlijdende bedrijfstak en veel schippersgilden werden met overheidssteun in stand gehouden.

Het Nederlandse spoorwegnet kwam traag van de grond zodat veel verbindingen nog lange tijd door trekschuiten werden onderhouden. De lijn Amsterdam-Haarlem gaf de schuit zich niet gauw gewonnen. Door de concurrentie van de trein werd de dienst ingekrompen tot tweemaal daags, maar pas in 1883, werd de dienst definitief gestaakt.

In 1765 vertrokken wekelijks van diverse punten in de stad zo'n 800 trekschuiten met 36 bestemmingen. De drukste dienst was tussen Haarlem en Amsterdam. Elk uur vertrok er van de Haarlemmerpoort een schuit. Dit traject was zeer populair want in 1648 gingen er bijna 300.000 mensen via dit traject. Wie geld had, reserveerde een plaatsje in de roef, een ruim vertrek met in het midden een tafel met daaromheen met zachte kussens bedekte zitplaatsen. In het ruim, waar plaats was voor zo'n 30 man, kon het gewone volk plaatsnemen. De trekschuit was bij uitstek de plaats waar 'allerhande slag van menschen' elkaar ontmoet, hetgeen de conversatie ten goede kwam. In de trekschuit werd onverbloemd gesproken over de brandende politieke kwesties van die tijd. Het succes van de trekvaarten de beurtschepen zorgde ervoor dat het verkeer over land onderontwikkeld bleef. Er vertrokken wel postkoetsen van uit Amsterdam, onder andere vanaf het Leidseplein en het Haarlemmerplein, maar buiten de stad waren de wegen slecht en bovendien waren de koetsen vanwege hun gebrekkige vering weinig gerieflijk. Het publiek koos dus over het algemeen voor het vervoer over water. Dit veranderde na 1800. De Franse overheid begon met het aanleggen van nieuwe en verharde wegen en de trekschuit kreeg concurrentie van de veel snellere diligences. De diligence was veelal geel van kleur. De postiljons hadden een voorgeschreven uniform bestaande uit een hemelsblauw buisje of jasje met een rode kraag, geel lederen broek, hoge laarzen en ronde hoed; aan de rechterarm een koperen ronde plaat, waarop het koningswapen stond afgebeeld. De armband met plaat werd de eerste maal gratis verstrekt, maar als men hem kwijt was dan moest men deze uit eigen zak betalen. De koperen plaat is later door de PTT overgenomen, de hulpbestellers droegen hem, niet op de arm maar op de borst.

De doodklap van de trekschuit kwam met de komst van de spoorwegen. De trekschuit, die een vaartje van vijf tot tien kilometer per uur had, kon de vooruitgang niet bij houden en werd het symbool van ouderwetsheid.

Van 1768 tot 1777 was Jan predikant in Middelie. In 1774 trouwde hij de in 1738 te Purmerend geboren Aaltje Jans Koeman(s). De doopsgezinden kenden een aantal groepen, zoals 'Waterlanders', Friezen', Hoogduitsen' en 'Vlamingen'. Wanneer een lid van de ene groep met een lid van de andere groep trouwde werd dit beschouwd als 'buitentrouw'. Het binnen de eigen groep huwen noemde men 'binnentrouw'. In het geval van Jan en Aaltje is het een buitentrouw, want Jan kwam van Amsterdam en Aaltje van Purmerend. Van 1777 tot 1790 predikant in Den Burg en Oosterend op Texel. Het is bekend dat hij een dagboek heeft bij gehouden, maar jammer genoeg is er slechts een fragment van bewaard gebleven. Het stuk beslaat een periode van 23 september 1787 tot 1 januari 1788, en het is een van de vele voorbeelden van Oranjeterreur in 1787. Nadat de Pruisische troepen zich gemengd hadden in de binnenlandse aangelegenheden van de Republiek, de geschorste stadshouder in al zijn functies hadden hersteld en een eind hadden gemaakt aan democratische ontwikkelingen hier te landen, hebben patriotsgezinden het zwaar te verduren. Pruisische en Staatse troepen oefende terreur uit. Ook het Oranje gepeupel, soms daarvoor betaald of getrakteerd op jenever, liet zich ook niet onbetuigd.

Kennelijk werd ook ds. Staneke verdacht van patriottische sympathieŽn. Onder rooms katholieke geestelijken en onder doopsgezinde, lutherse en remonstrantse predikant, dus onder de geestelijkheid die niet tot de publieke = gereformeerde kerk behoorde, was het aantal patriotten relatief hoog.

Ds. Jan Staneke had te maken met onwettige vorderingen door militairen, het ingooien van ruiten door onbekenden, het onder dwang roepen van 'hoesee' en 'Leve de Prins van Oranje'.

Op zich is hij er nogal goed afgekomen. In veel gevallen nam de terreur grotere vormen aan.

In eerste instantie verzette de plaatselijke overheid zich tegen de onwettige vorderingen van de militairen. In tweede instantie ging ze toch door de knieŽn.

Op 23 januari 1790 wordt hem schriftelijk gevraagd of hij naar Enkhuizen wil komen om daar te prediken, en hij schrijft op 28 januari terug dat hij dat inderdaad wil. Op 28 februari daarop volgend vertrekt hij, met zijn gezin naar Enkhuizen, maar niet voordat hij nog twee huwelijken heeft voltrokken. Vanaf die datum tot aan zijn dood, is hij werkzaam als predikant in Enkhuizen.

In 1791 overlijdt zijn vrouw, Aaltje Koeman. Vier jaar later, op 11 oktober 1795, trouwt hij met Tette Margaretha Reuben. Twaalf januari 1796 laten zij een testament op maken.

Uit dit huwelijk worden vervolgens drie kinderen geboren, op 18 Februari 1797 Anna Elisabeth, op 5 februari 1800 Gerrit Nicolaas, op 16 november 1802 Reindert Huijbert.

Op 17 januari 1808 overlijdt vader Jan en tot die tijd heeft het gezin in de Kromme Elleboogstraat gewoond. Om een toeziend voogd te benoemen over de kinderen moest er een familieraad bijeen komen. Deze familieraad kwam op 24 september 1813 te Enkhuizen bijeen, onder leiding van Mr. Aarons van der Kamhorst Koldanus.

Dit werd gedaan wanneer van een echtpaar met kinderen de man of vrouw kwam te overlijden werd door een groep familieleden, de 'familieraad', ten overstaan van de vrederechter een voogd of toeziend voogd aangewezen over de minderjarige kinderen. Een familieraad werd ook wel bijeen geroepen om een familielid dat niet over voldoende verstandelijke vermogens beschikte onder curatele te laten plaatsen. De familieraad bestond uit drie of vier naaste verwanten ('naastbestaanden') van de zijde van de beide echtgenoten. In dit geval waren er Reindert Huijberts, eigenaar, oom van de moeder van de kinderen, Jacob Mol, koopman, Thomas Bakker, witte broodbakker, Jacob de Jongh, leraar van de Mennonite Gemeente, Barend Hendrik Wiebols, debitant in tabak en Evert Waning, chirurgijn. Zij waren allen goede vrienden en bekenden van de overledene.

In 1813 woonden het gezin nog in Enkhuizen, maar in 1819 woonden zij al in Amsterdam.

De dochter, Anna Elisabeth, trouwt eerst in 1814 met Coenraad Vonk, en vervolgens na zijn overlijden op trouwt 20 juni 1832 met Hermanus Buijs. Uit beide huwelijken zijn geen nakomelingen bekend. Anna overlijdt op 19 december 1849 op de Overtoom 220, waar ze werkzaam was als werkster/dienstbode.

Reindert Huijbert, het derde kind en laatste zoon van Jan en Tette, moest ondanks dat hij doopsgezind is en wapens en geweld verafschuwt, toch opkomen voor zijn nummer in de Noord Hollandsche Schutterij. Hij werd als schutter ingedeeld bij het eerste bataljon van de eerste afdeling. Het zou slecht met hem aflopen in de Belgische opstand. Deze geschiedenis begint echter al voor zijn geboorte en met de vlucht van Willem van Oranje met zijn gezin uit Nederland in 1795, begint ook een hele nare periode (de grote omwenteling) voor alle Nederlanders.

Men werd tussen 1795 en 1811 verplicht (door de Fransen) om een familienaam aan te nemen. Veel mensen hadden geen naam of alleen een vadersnaam. Er waren mensen bij, die belachelijke namen opgaven aan ambtenaar, en deze vertrok geen spier. De mensen deden dit omdat ze het een belachelijke regel vonden. Al die Zondervans en Naaktgeborens komen dan ook uit die periode. Na de val van de Fransen, in 1813, dachten men dat dit weer ongedaan gemaakt zou worden, maar de soeverein vorst liet het verleden het verleden en hield deze regel aan en men was verplicht om een naamsverandering aan te vragen met redenen omschreven om van deze vreemde familienaam af te komen. De naam Staneke bestaat echter al in 1554.

Toen Lodewijk Napoleon (broer van de Franse keizer Napoleon Bonaparte) werd aangesteld als koning van Holland, was er kort voor zijn komst voor de eerste maal in dit land het lager onderwijs bij wet geregeld.

De koning kende de Nederlandse taal niet, maar wilde ze leren. Wekelijks kreeg hij les in de Nederlandse taal. Lodewijk wilde Hollander zijn maar bleef in denkbeelden en richting Fransman. Zijn voornemens om de volksdeugden van zuinigheid en eenvoud zich eigen te maken, liet hij spoedig varen, en meer en meer wonnen pracht en praal aan zijn hof terrein. Prins Lodewijk was door Napoleon niet op de troon geplaatst om een zelfstandig leven te leiden en een Hollandse vorst te zijn. Het enige wat hij deed als koning van Holland was het door Napoleon voorgestelde staatsbankroet tegenhouden. Hij kon de titel van koning dragen, maar was in werkelijkheid niet meer dan de stadhouder van de keizer.

Toen Lodewijk in maart 1810 een deel van Nederland, Brabant, Zeeland en het land tussen Maas en Waal aan de Franse keizer moest afstaan en Franse douaniers in zijn land moest toestaan, het een en ander werd hem te veel toen de Franse troepen Amsterdam naderden en besloot voor de overmacht te wijken.

Op 1 juli 1810 deed de koning troonsafstand ten voordeel van zijn zoon, onder regentschap van de koningin.

Een algemene verslagenheid heerste, toen de afstand en vertrek van koning Lodewijk bekend werden. De natie had hem leren achten en kennen en ondanks zijn wispelturigheid en spilzucht lief gekregen. Lodewijk Napoleon was geen groot, maar hij was een goed man. Uit liefde tot zijn Hollands volk heeft hij zijn eigenbelang verloochend.

Op 9 juli 1810 volgde het besluit van inlijving, Nederland was geen zelfstandig volk meer.

Alle ambtenaren van de eerste rang waren Fransen, en slechts op posten van minder belang werden Hollanders toegelaten.

Niemand mocht zonder een binnenlandse pas van de ene naar de andere stad reizen.

De Nederlandse taal werd in de politieke ban gedaan. Elk officieel stuk moest van een Franse vertaling voorzien zijn. De kranten en advertentiebladen moesten in de Franse en volkstaal verschijnen, het ging zelfs zover dat de nationale taal werd onderdrukt door die van de overheersers.

Het verzet groeide en in Amsterdam en Scheveningen vonden ongeregeldheden plaats, maar omdat er geen ondersteuning was werden zij bloedig onderdrukt.

Tijdens Napoleon's verblijf in Rusland had het bestuur een nieuwe krijgsmacht onder de naam van Nationale Garde opgericht en de eerste van de drie afdelingen of bannen waarin zij verdeeld was, gedeeltelijk onder de wapenen geroepen. Na het mislukken van de veldtocht, waren nieuwe legers onmisbaar, en werden niet alleen de gewone lichtingen vervroegd, maar ook een deel van de Nationale Garde opgeroepen. De tweede ban, samengesteld uit hen, die gehuwd waren, plaatsvervangers hadden gesteld of andere redenen tot vrijstelling konden doen gelden, moest opkomen om in de plaats van de wegtrekkende Franse troepen onze kusten te bezetten. In de bestaande staat van spanning verwekten deze maatregelen de grootste verbittering. De armste gezinnen werden van hun broodwinners beroofd, en al bleven de pas opgeroepene in het land, men wist dat een enkele wenk uit Parijs genoeg was, om hen al de gevaren van een vernielende oorlog bloot te stellen. Op verschillende punten ontstonden onlusten, sommige van vrij ernstige aard. Het was te verwachten dat de vrouwen, die het lot van verlatenheid voor de ogen hadden daar een groot aandeel in hadden. De Nationale Garde (die in april 1813 was ontbonden) werd op 7 oktober 1813 hersteld.

De nadering van de Pruisische en Russische troepen deden de Franse ambtenaren vluchten, de bevolking lieten de gehate douaniers, morrend, maar in vrede vertrekken. Op de avond van 15 november brak de hel los. Iedereen was oranje versierd en begonnen de straten met gejuich te vullen, in het begin een uitbarsting van blijdschap, maar nam spoedig aan andere wending. Men stak op de huisjes van de douaniers in brand. De uithangborden, waar de keizerlijke adelaar opstond, gingen dezelfde weg. Alles wat met de overheerser te maken had moest worden opgeruimd. De kazernes en pakhuizen aan de buitenkant, te tabaksgebouwen op Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, werden ernstig bedreigd. Ternauwernood lukte het de inmiddels samen gekomen Garde, de menigte te stuiten. De Fransen, die nog in de stad waren, had deze oploop zo'n angst aangejaagd, dat de meesten de volgende morgen Amsterdam verlieten. De menigte liet hen ongedeerd vertrekken, maar werd door deze overwinning niet rustiger, en ving met nieuwe moed haar vernielingswerk aan. Niet meer tevreden met het verbranden van de wachthuisjes, begonnen ze de woningen van de Franse ambtenaren te plunderen en het geroofde te verbranden. Alle pogingen om de menigte tot bedaren te brengen waren te vergeefs.

De gevangenen in het werkhuis, uit het spinhuis, en van de Jan Rodenpoort werden met geweld bevrijd en met gejuich rondgedragen. De cipierswoning bij de Jan Rodenpoort werd geplunderd en de menigte vond er een genoegen in, door het onophoudelijk luiden van de daar aanwezige klok overal angst te verspreiden.

Het kiezen van een tijdelijk bestuur in het in de Kalverstraat gelegen Keizerskroon redde Amsterdam van regeringsloosheid en van plundering. Het nieuwe bestuur kondigde meteen het noodzakelijke af om de gang van zaken ongestoord voort te laten gaan. De politie werd hersteld, de inning van de stadsbelasting geregeld, en het behoud van de orde door de politie, de Garde en een nieuwe ruiterbende van meer dan 300 man.

Op 24 november 1813 werd de Hollandse vlag gehesen aan het stadhuis.

Voor het vertrek van de Franse politie hadden er oranjelinten en kokardes te koop aangeboden en verkocht, dit was echter meteen verhinderd.

Er werden valse en echte proclamaties er gemaakt om de geestdrift van de bevolking erin te houden.

De Prins van Oranje had na het vernemen van de opstand meteen maatregelen tot overkomst genomen, en kwam op 30 november, ondanks de tegenwind, in Scheveningen aan wal en werd hij overal juichend binnen gehaald.

Op 1 December werd Willem Frederik in Amsterdam tot soeverein vorst uitgeroepen. Engeland bevrijde Zeeland voor zover dit nog niet was gebeurt en de Pruisen en Russen bevrijdden Gelderland en Brabant.

Op 30 maart 1814 legde in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, de soevereine vorst, Willem I de eed van trouw af op de grondwet van Nederland en werd ingehuldigd als Koning der Nederlanden. Maar hij was ook koning van BelgiŽ en groothertog van Luxemburg. Het was een groots, sober gebeuren, geen kroning, maar toch de eerste echte 'Koning van Nederland'.

Na de val van Napoleon kende Europa een lange periode van vrede. In Nederland werd de rust alleen verstoord door de Belgische opstand van 1830. Amsterdamse schutters van de Noord Hollandsche Schutterij vochten mee in de Tiendaagse Veldtocht van 1831, zo ook het eerste bataljon van de eerste afdeling van Reindert Huijbert, de Nederlanders waren succesvol bij Leuven en Hasselt, als de Fransen er niet tussen waren gekomen met een groot leger, dan zou de kroonprins Brussel hebben bezet. Het werd een vergeefse campagne om de afgescheiden Belgen met geweld te onderwerpen. Reindert Huijbert werd echter op 6 augustus door een kogel in de buik getroffen bij Houthalen, waarna hij naar het hospitaal te Eindhoven is vervoerd en is daar aan deze verwonding overleden.

Een van de grote helden in de Belgische Opstand was de voormalige weesjongen Jan Carel Josephus van Speyck, liet als commandant van een Nederlandse oorlogsbodem, deze op 5 februari 1831, tijdens de Belgische Opstand zijn schip voor Antwerpen in de lucht vliegen, toen het schip in de handen van de vijand dreigde te vallen. Hijzelf kwam daarbij om het leven, evenals 24 bemanningsleden en 10 Belgische burgers. Hij werd met groot militair eerbetoon in de Nieuwe Kerk begraven.

In 1839 werd er vrede met BelgiŽ gesloten.

Op 1 oktober 1840 deed koning Willem I, afstand van de troon en werd kroonprins Willem II, de opvolger van zijn vader. Als kroonprins had hij tijdens de Belgische Opstand veel roem verworven. Amsterdam eerde hem door de pas gereed gekomen Haarlemmerpoort naar hem te noemen, de Willemspoort. De inhuldiging gebeurde met grote pracht en praal in de Nieuwe Kerk van Amsterdam op 27 november 1840. De held van Waterloo is na 27 jaar kroonprins te zijn geweest nu zelf koning. Hij heeft maar 9 jaar geregeerd, want hij stierf op 17 maart 1849 te Tilburg. Zijn oudste zoon Willem III volgde hem op.

Ter herinnering aan de Belgische Opstand heeft er een beeld op de Dam gestaan, het gedenkteken van de Volksgeest van 1830. Het eerste nationale monument. De uit blauwe steen gehouwen naald, naar een ontwerp van M.H. Tetar van Elven, was versiert met de wapens van Nederland en prins Willem I. Verder waren er vier krijgstrofeeŽn afgebeeld en het Metalen Kruis. Bovenop stond de Eendracht, een beeld van de Belgische kunstenaar Louis Royer.

In 1856 werd het door koning Willem III plechtig onthuld. Erg geliefd is het beeld nooit geweest. Amsterdammers noemden het oneerbiedig Naatje (van de Dam), dat betekent iets van weinig van belang. In 1914 moest het beeld, dat inmiddels de neus en een arm had verloren, plaats maken voor de elektrische tram.  

 

 

Naar deel 4